Het verdriet van Groningen

Het afgelopen half jaar (februari – augustus 2019) mocht ik me bezighouden met de situatie in het Groningse gasveld. Preciezer gezegd: met vragen rond hoe verder met het versterken van gebouwen die schade hebben door de vele aardbevingen, aardbevinkjes soms ook …. De lokale plannen zijn leidend, de eigenaar is aan zet, en sneller handelen, dat is het credo op dit moment. “Meters maken”, daarmee vuurt Nationaal Coördinator Groningen (NCG) Peter Spijkerman zijn medewerkers wekelijks aan.

Een complexe omgeving

Maar hoe doe je dat als “de winkel open blijft” terwijl de half leeg gelopen NCG van regionale regievoerder transformeert naar uitvoeringsorganisatie. Er een ingewikkelde aansturingsformule is bedacht met het ministerie van BZK als “eigenaar” (is nu nog EZK, met zoals bekend een compleet andere cultuur) en de veelal in herindeling verkerende gemeenten als “opdrachtgever”? Hoe doe je dat als de NAM uit het spel moet verdwijnen, haar uitvoeringsvehikel CVW naar het zich laat aanzien opgeheven wordt, maar nog wel de rekening van de operatie moet voldoen? Hoe doe je dat als van jaar tot jaar de inzichten over de risico’s van de teruglopende gaswinning veranderen, met alle gevolgen van dien voor welke gebouwen wel en niet voor versterking in aanmerking komen? Hoe doe je dat als de ondergrond zich steeds weer niet aan de voorspellingen houdt en alleen al dit jaar er in ieder geval twee stevige aardschokken waren (Westerwijtwerd en Garrelsweer), waardoor de onrust in het gebied logisch groot blijft? Hoe doe je dat als het voortdurend wisselende optreden van bewindslieden de geloofwaardigheid van de overheid in Groningen danig heeft aangetast?

Een onmogelijke opgave zou je zeggen. Als je opnieuw zou mogen beginnen zou je het totaal anders organiseren: de hele operatie met geld en mandaat in één hand, in één programmatisch ingerichte organisatie. Maar dat is simpelweg geen optie. Bij de NCG trof ik heel veel medewerkers die vaak tegen beter weten in zeer gemotiveerd zijn om de Groningers te helpen. Tegelijkertijd zit er nog maar kort een vrijwel compleet nieuw management, met (laat ik het vriendelijk zeggen) beperkte ervaring in dit soort klussen. Maar wie heeft die wel? En als de opgave nu alleen bestond uit het versterken van gebouwen, dan was het nog te overzien. Maar de opsomming hierboven toont wel aan hoe complex de omgeving is waarin dit werk moet plaats vinden. En dan noem ik nog niet eens die rare organisatorische scheiding tussen schade en versterken, de nog in ontwikkeling zijnde wetgeving op grond waarvan gewerkt moet gaan worden, het bestuurlijke en politieke gedoe waarin ook de provincie nog eens een rol speelt en de eigen positie van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) daarbij.

Wat heb ik geleerd, dat halfjaar?

Allereerst dat het goed is om bij alle complexiteit je vooral te concentreren op de inhoud. Als bijvoorbeeld de lokale plannen het uitgangspunt moeten vormen (wat logisch is), is het zaak daarin gezamenlijk op te trekken. Het gaat er dan niet om dat die plannen perfect moeten zijn. Als ze werkbaar zijn is dat voldoende om praktisch te gaan handelen.

In de tweede plaats heb ik gemerkt dat de rijksoverheid nog (steeds) moet leren om de eigen kracht in de samenleving daadwerkelijk te benutten. Anders gezegd: de onvrede bij de Groningers kan pas verdwijnen als zij zelf veel sterker aan het roer staan. Zij snappen best dat dit een ingewikkeld vraagstuk is. Maar nu wordt er nog te veel voor hen bepaald en niet door hen. In die zin is de overgang van de NCG naar BZK gunstig. Als schakel tussen rijk, provincie en gemeente en met de omgevingswet in ontwikkeling snapt dit departement dat in ieder geval nog het beste.

In de derde plaats is het, bij alle complexiteit, goed om je voortdurend af te vragen of het niet eenvoudiger kan. De veiligheidseisen moeten voorop staan. Maar is het nu werkelijk nodig om ieder jaar opnieuw via de HRA (Hazard and Risk Assessment) het risico opnieuw te meten en daarmee opnieuw prioriteiten te bepalen? Het vertraagt de zaak enorm. En zou het bijvoorbeeld niet verstandig zijn om de nu gescheiden circuits van opname en beoordeling van versterkingsmaatregelen en de uitvoering daarvan tot één proces te smeden. Dan kunnen die eindeloze wachttijden tussen het uitbrengen van de adviezen en het realiseren daarvan tot het verleden behoren, zeker als bouwpartners hun inbreng van meet af aan kunnen leveren.

In de vierde plaats kan beter naar de verhouding tussen kosten en baten gekeken worden. Niet in alle situaties is het noodzakelijk alles tot op de bodem uit te zoeken en uit te rekenen. Er zijn nog te veel gevallen waarin het proces duurder is dan het pakket aan maatregelen. Dan doe je iets niet goed.

En in de vijfde plaats: het zou goed zijn als “Den Haag” wat meer vertrouwen uitspreekt in en geeft aan de regio en zelf wat meer op afstand gaat staan.

Tot slot

Minister Wiebes kondigde inmiddels het einde van de Groningse gaswinning aan in 2022. Dat is een mooie stap. Het kan ook de versterkingsoperatie overzichtelijker maken, als er ten minste niet nu weer opnieuw gekeken gaat worden of, zoals vorig jaar gebeurde, het allemaal niet wat minder kan omdat het gevaar minder groot zou worden. Doorpakken op basis van de plannen die er nu zijn, zou ik zeggen. Met de eigenaren en gemeenten aan het roer, de NCG als kennisdrager en gemandateerd “servicestation” bij de uitvoering, en Den Haag op afstand. Zou er dan toch een keer een eind komen aan de ellende voor de Groningers?

12 september 2019